Schatting van het aantal gedupeerde patiënten van de AWBZ-bezuiniging.

Februari 2004,
Roel Verheul

Hieronder beschrijf ik twee verschillende schattingsmethoden die uiteindelijk uitkomen op ongeveer dezelfde aantallen patienten die gedupeerd zullen worden bij limieten van 30 respectievelijk 50 sessies.

1. Via prevalentiecijfers

Prevalenties van psychische stoornissen die relevant zijn voor langdurige psychotherapie:
*       persoonlijkheidsstoornissen, prevalentie in de algemene populatie 13%
*       chronische depressie, prevalentie in de algemene populatie ca. 1½ %
*       andere complexe As-I-stoornissen, prevalentie in de algemene populatie ca. 5%

Deze doelgroepen overlappen deels. Bovendien komt maar een deel van de doelgroepen in aanmerking voor psychotherapie. Uitgaande van 50% overlap c.q. comorbiditeit tussen persoonlijkheidsstoornissen en chronische/complexe As-I-stoornissen EN uitgaande van een percentage van 60-75% dat in aanmerking komt voor langdurige psychotherapie (meer dan 30 sessies), kom ik schattenderwijs tot een potentiele doelgroep van ca. 10% in de algemene populatie. Overigens zoekt maar een deel van deze individuen hulp voor zijn/haar problemen. Bij chronische depressie ligt dat percentage (50-75%) veel hoger dan bij persoonlijkheidsstoornissen (20-40%). Houden we daarmee rekening, dan komen we uiteindelijk op een percentage van rond 5%. Voorts moeten we rekening houden met het feit dat we alleen beschikken over prevalentiegegevens (% gevallen op dit moment) en niet of in mindere mate over incidentiegegevens (% nieuwe gevallen per jaar). Nu komt het grote schatten: als we uitgaan van een gemiddelde leeftijd van 75 jaar en van 2 behandelepisoden per individu op lifetime basis, dan komen we op een getal tussen 20.000 en 25.000 mensen per jaar die in aanmerking komen voor langdurige psychotherapie van meer dan 30 sessies. Overigens heeft slechts een deel van deze individuen meer dan 50 sessies nodig. Uitgaande van de helft komen we op een getal van ruim 10.000 individuen per jaar dat geindiceerd is voor meer dan 50 sessies. Altijd nog een hele grote groep, veel groter dan de enkele honderden nieuwe patienten die - na implementatie van de 'versoepelde maatregel' - jaarlijks in oneindige psychoanalytische psychotherapie kunnen komen.

2. Via zorggebruikcijfers

Het verhaal hierboven geeft wel aan dat het heel lastig is c.q. dat er veel assumpties nodig zijn om via prevalentiecijfers tot een valide schatting te komen van het aantal mensen dat in aanmerking komt voor langdurige psychotherapie.

We kunnen ook uitgaan van het huidige zorggebruik. We weten dat er ca. 200.000 mensen in psychotherapie zijn. Deze behandelingen duren ca. 2 jaar, dus het gaat om ca. 100.000 nieuwe patienten per jaar. Grofweg 75% vanwege stemmings- of angststoornissen met een gemiddeld aantal sessies van 38, en 25% vanwege persoonlijkheidsstoornissen met een gemiddeld aantal sessies van 60. Overigens moeten we er rekening mee houden dat deze gemiddelden enigszins 'opgeblazen' worden door 'outliers' ofwel een klein aantal mensen die veel meer sessies gebruiken, bijvoorbeeld mensen in psychoanalyse (500-1000 sessies). Daarom zou een zogenaamde mediane score betekenisvoller zijn, maar die scores ken ik niet en het is de vraag of die scores uberhaupt bekend zijn. Op basis van de literatuur moet het percentage herstel bij stemmings- en angststoornissen na 30 sessies worden geschat op 80% (range 70-90%) en bij persoonlijkheidsstoornissen op 40% (range 30-50%). Dat betekent dat er jaarlijks ca. 15.000 nieuwe patienten met stemmings- en angststoornissen (20% van 75.000 nieuwe patienten per jaar) en ca. 15.000 nieuwe patienten met persoonlijkheidsstoornissen (60% van 25.000 nieuwe patienten per jaar) zijn die meer dan 30 sessies nodig hebben. Bij elkaar opgeteld gaat het om ca. 30.000 nieuwe patienten per jaar die meer dan 30 sessies nodig hebben. Bij 50 sessies liggen de herstelpercentages hoger, namelijk op 85-95% resp. 70-80%. Wanneer we deze percentages doorrekenen, komen we uit op ca. 7.500 nieuwe patienten met stemmings- en angststoornissen (90% van 75.000 nieuwe patienten per jaar) en ca. 6.250 nieuwe patienten met persoonlijkheidsstoornissen die meer dan 50 sessies nodig hebben. Bij elkaar opgeteld gaat het om ca. 13.750 nieuwe patienten per jaar die meer dan 50 sessies nodig hebben.

3. Conclusie

Beide berekeningswijzen komen op ongeveer dezelfde getallen uit. Ik durf derhalve met enige waarschijnlijk te stellen dat 20.000 tot 30.000 nieuwe patienten per jaar een ambulante psychotherapeutische behandeling nodig hebben van meer dan 30 sessies, terwijl 10.000 tot 15.000 nieuwe patienten per jaar een ambulante psychotherapeutische behandeling nodig hebben van meer dan 50 sessies. Van belang is dus om vast te stellen dat zelfs de zogenaamd versoepelde maatregel ertoe zal leiden dat een hele grote groep hulpbehoevenden een evidence-based behandeling zal worden onthouden. Gelet op de huidige capaciteit van alternatieve behandelingen (bijv. dagklinische psychotherapie) is niet te verwachten dat deze mensen op een andere manier geholpen kunnen worden. Van belang is ook om vast te stellen dat de voorgestelde capaciteit van psychoanalytische behandelingen die langer mogen duren dan 50 sessies (600 patienten met een gemiddelde behandelduur van 2 tot 5 jaar, dus maximaal 200 nieuwe patienten per jaar) bij lange na niet in de behoefte zal kunnen voorzien. Sterker nog: hiermee wordt naar schatting slechts enkele procenten van de behoefte (200/12.500=1.6%) afgedekt. Kortom: zelfs de versoepelde maatregel zal ruim 10.000 patienten in de kou laten staan. De gevolgen in termen van ziektelast, produktiviteitsverliezen, maatschappelijke overlast zijn (nog) niet te overzien, maar het behoeft geen verdere toelichting dat deze bezuiniging niet alleen elke basis van een gedegen wetenschappelijke onderbouwing mist maar ook schadelijk is voor de volksgezondheid en maatschappelijke orde.

Roel Verheul