CVZ

t.a.v. mevrouw mr. J.M. van Diggelen

en de heer A.H. Verbeek

Postbus 320

1110 AH  DIEMEN

 

 

 

Utrecht, 23 maart 2005

 

 

Geachte mevrouw van Diggelen en heer Verbeek,

 

Namens het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten laat ik u weten dat wij onze leden hebben geadviseerd om per heden te stoppen met het vermelden van DSMIV-codes op de formulieren (zgn. A-formulier) waarmee de aanvang van de behandeling in het kader van de AWBZ wordt gemeld bij het zorgkantoor. Daarnaast adviseerden wij onze leden om op de aanvraag voor verlenging van de behandeling tot 50 sessies (V-formulier) standaard de diagnose 301.9 (persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven) in te vullen.

 

Hieronder willen wij dit advies nader toelichten.

Al vanaf 1994, toen de vrijgevestigde psychotherapeuten een indirecte aanspraak kregen in het kader van de AWBZ, staat de vermelding van diagnostische informatie op de formulieren waarmee de aanvang van de behandeling gemeld moet worden ter discussie. De centrale vraag daarbij was en is steeds: welke diagnostische informatie, gekoppeld aan de persoonsgegevens van de cliënt, mag wanneer aan wie verstrekt worden?

In de wettige regelgeving strijden daarbij steeds twee zaken om de voorrang.

§          Enerzijds hebben vrijgevestigde psychotherapeuten te maken met de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO), waarin in artikel 457 en 458 omschreven staat dat de hulpverlener “aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt.” Uitzonderingen op deze regel zijn alleen mogelijk ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek, maar dan dienen de gegevens zodanig te worden verstrekt dat deze niet tot individuele personen te herleiden zijn. Daarnaast is ook de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) van toepassing op het contact tussen psychotherapeuten en zorgkantoren of verzekeraars. Hierin staat onder meer "De verwerking van persoonsgegevens blijft achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat" (art 9 lid 4 WBP) en "Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn” (art.11 lid 1 WBP). 

§          Anderzijds hebben vrijgevestigde psychotherapeuten te maken met de regelgeving in het kader van de AWBZ  en de contracten die afgesloten zijn tussen zorgkantoren en individuele psychotherapeuten. In dit kader wordt van psychotherapeuten tot het geven van diagnostische informatie verplicht op straffe van het niet vergoeden van gemaakte contacten.

 

In de afgelopen jaren heeft deze, deels tegenstrijdige, regelgeving er toe geleid dat er op verschillende plaatsen in het land verschillende informatiepraktijken zijn gegroeid. Zowel voor zelfstandig gevestigde psychiaters en als voor vrijgevestigde psychotherapeuten geldt dat zij te maken kregen met zorgkantoren die op sommige plaatsen akkoord gingen met het geanonimiseerd aanleveren van diagnostische informatie, op andere plaatsen werd één hoofddiagnose verplicht gesteld, terwijl in weer andere regio’s zelfs een zgn. klassieke diagnose geëist werd.

Discussies hierover zijn nooit geheel verstomd maar deze werden het afgelopen jaar opnieuw in het centrum van de belangstelling geplaatst door drie ontwikkelingen:

1)      In het kader van de pakketmaatregel psychotherapie werd de mogelijkheid geopend om verlenging aan te vragen van het aantal sessies psychotherapie van 25 naar 50 bij personen met de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Dit maakte het noodzakelijk om, gekoppeld aan de persoonsgegevens, aan het zorgkantoor de betreffende persoonlijkheidsdiagnose te melden.

2)      In 2004 begonnen diverse zorgverzekeraars/zorgkantoren zich op te maken voor de situatie na 1-1-2006 (overheveling en ZVW) en in dat kader werd in een aantal regio’s van psychotherapeuten gevraagd aanmerkelijk méér diagnostische informatie aan te leveren gekoppeld aan de persoonsgegevens van cliënten. Met name werd van elke cliënt een vijfassige DSMIV-diagnose geëist.

3)      In het kader van de DBC ontwikkeling werd het aanleveren van vertrouwelijke medische informatie een belangrijk onderwerp van gesprek en daarbij werd onomstotelijk vastgesteld dat verzekeraars niet automatisch recht hebben op deze informatie, en zeker niet gekoppeld aan persoonsgegevens. De aanlevering van privacygevoelige DBC–informatie dient te geschieden aan een Trusted Third Party waar door partijen in het veld geen directe koppeling gemaakt kan worden tussen de medische informatie en de persoonsgegevens.

 

Met het oog op de ontwikkelingen op dit gebied rondom de DBC’s heeft de NVVP aan het College Bescherming Persoonsgegevens gevraagd om een uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van het aanleveren van de diagnose persoonlijkheidsstoornis aan het zorgkantoor bij aanvraag van verlenging van de behandeling. Hierop hebben wij tot dusver nog geen uitsluitsel gekregen.

Wij verkeren dus in een situatie die gekenmerkt wordt door de volgende zaken

§          Psychotherapeuten leveren in het kader van de verlengingsaanvragen aan zorgkantoren diagnostische informatie gekoppeld aan persoonsgegevens waarvan het zeer de vraag is of dit wettelijk mág en of de hulpverlener in het kader van de WGBO niet onwettig handelt en door de patiënt in voorkomende gevallen aansprakelijk kan worden gesteld voor eventuele materiële en immateriële gevolgen hiervan;

§          Er liggen duidelijke uitspraken met betrekking tot de privacybescherming in het kader van de DBC-ontwikkeling, maar die lijken vooralsnog niet toegepast te worden in de huidige situatie;

§          Zorgverzekeraars lijken op sommige plaatsen ongeremd in hun eisen om diagnostische informatie gekoppeld aan persoonsgegevens aan te leveren, zonder dat hierover nog landelijk afspraken gemaakt kunnen worden of dat dit anderszins gecorrigeerd kan worden.

§          Hoewel de regelgeving op dit gebied wellicht sluitend kan zijn bereiken ons uit de wereld van de zorgverzekeraars regelmatig berichten dat niemand met 100% zekerheid kan garanderen dat de privacygevoelige medische informatie die door psychotherapeuten wordt aangeleverd niet ooit gebruikt wordt bij de beoordeling van andere verzekeringsproducten, zoals hypotheekverstrekking of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

 

Tot slot wijzen wij er op dat zich in de praktijk een duidelijk trend aftekent van psychotherapeuten en cliënten die gezamenlijk besluiten geen gebruik te willen maken van de verlengingsmogelijkheden die de wet hen biedt, omdát deze gekoppeld is aan de verplichting medische informatie gekoppeld aan persoonsgegevens aan de verzekeraar te leveren. 

 

Dit heeft ons als beroepsvereniging er toe gebracht zelf een grens aan te brengen en onze leden te adviseren deze lijn te volgen:

1)      te stoppen met het vermelden van diagnostische informatie op de formulieren die gebruikt worden voor de “melding aanvang behandeling” (A-formulier) aan het zorgkantoor. Diagnostische informatie dient wel vermeld te worden op het zgn. B-formulier (indicatieformulier) dat beoordeeld wordt door de regionale toetsingscommissie. Ook is de psychotherapeut verplicht om in het kader van de zgn. materiële controle door het zorgkantoor inzicht te geven in zijn werkwijze. Het verstrekken van diagnostische informatie gekoppeld aan persoonsgegevens dient hij echter te beperken tot de medische adviseur c.q. de adviserend geneeskundige van het zorgkantoor, en ook in dat geval dient er vooraf toestemming gegeven te worden door de patiënt;

2)      te stoppen met het vermelden van As II-diagnoses bij de aanvraag voor verlenging van de behandeling (V-formulier), anders dan standaard de diagnose “persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven”. Het behoeft geen betoog dat dit advies een compromis behelst tussen enerzijds de wens geen medische informatie te verstrekken en anderzijds de verplichting een As II-diagnose te vermelden wil men aanspraak kunnen maken op verlenging tot 50 sessies.

 

Bovenstaand advies aan de beroepsgroep is nodig om duidelijkheid te scheppen in een situatie die door onduidelijke en tegenstrijdige regelgeving niet langer aanvaardbaar is. De NVVP is ten allen tijde bereid om hierover met u, met verzekeraars en met de overheid in gesprek te gaan om te komen tot afspraken die voor alle betrokken partijen aanvaardbaar en werkbaar zijn.

 

Wij vertrouwen er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Een afschrift van deze brief hebben wij verzonden aan Zorgverzekeraars Nederland en het Ministerie van VWS.

 

 

Met vriendelijke groet,

namens het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten,

 


 


Drs. D.C. Bouman, voorzitter