Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie

Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten

Nederlands Instituut van Psychologen

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

 

p/a NVP, Maliebaan 50-b, 3581 CS Utrecht, tel. 030 - 2510161

                                              

Ministerie van VWS

Directie GVM

T.a.v.   drs. M.P. van Gastel,

directeur-generaal Maatschappelijke Zorg

Postbus 20350

2500 EJ Den Haag

 

 

Datum:                        Uw referentie:           Onze referentie:         Contactpersoon:

22-01-2004                 GVM/2442066                                             dr. A.T. Veeninga /

                                                                                                         mw. drs. M.L. Buitenhuis

 

Betreft:  psychotherapie         

 

 

Geachte heer van Gastel,

 

In uw brief d.d. 22 december 2003 vraagt u de beroepsorganisaties op korte termijn te reageren op twee vragen die beantwoord dienen te worden om een versoepeling van de recente pakketbeperking AWBZ inzake ambulante psychotherapie mogelijk te maken.

 

Na ampel overleg tussen vertegenwoordigers van de betrokken beroepsverenigingen, zijnde de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP), de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten (NVVP), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) en het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP), is dienaangaande een gezamenlijk standpunt geformuleerd:  wij wensen vooralsnog niet op die vragen in te gaan, omdat naar ons idee eerst de vraag naar de juistheid van de maatregel aan de orde dient te komen.

Zowel de nu geldende maatregel als de voorgestelde ´versoepeling´ hiervan zijn volgens de NVP, de NVVP, de NVvP en het NIP om onderstaande redenen uiterst onverstandig en onbillijk:

 

1.      De nu geldende maatregel (30 zittingen) is pas aan ons bekend gemaakt bij brief van 24 november 2003, terwijl in deze brief nota bene wordt aangekondigd dat de maatregel al op 1 januari 2004 zal ingaan. Dat klemt te meer nu de AMvB reeds op 7 november 2003 aan de Tweede en Eerste Kamer voorgehangen is. Maar zelfs als wij op laatstgenoemde datum ook op de hoogte waren gesteld van de concept-AMvB, dan nog zou de tijd veel te kort zijn geweest om de patiëntenzorg op deze maatregel af te stemmen. In dat kader heeft het ons ook hogelijk verbaasd dat over de aard en inhoud van de AMvB noch over de implementatie ervan enig overleg met de veldpartijen is gevoerd. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk op welke wijze onze patiënten over deze wijzigingen geïnformeerd zullen worden. Het moge duidelijk zijn dat wij dit een taak van de overheid achten en dat wij niet wensen dat de relatie met onze patiënten hierdoor beïnvloed wordt.

 

2.      Inmiddels is aangekondigd dat de AMvB versoepeld zal worden, maar dat is een eufemisme. Immers blijkt dat het uitgangspunt budgettaire neutraliteit blijft. Ons inziens houdt dit niet meer in dan dat de overheid een sturing geeft aan het uitgavenbudget waardoor weer andere groepen cliënten/patiënten tekort wordt gedaan. Bij voorbeeld, een verruiming van het aantal zittingen tot maximaal 50 voor uitsluitend patiënten met de diagnose persoonlijkheidsstoornissen is voor ons onbegrijpelijk. Minister Hoogervorst gaf ook aan, met een verwijzing naar het rapport van de Gezondheidsraad, dat patiënten met een recidiverende depressie zeer zwaar getroffen worden door een beperking van een maatregel die het aantal zittingen psychotherapie in het kader van de AWBZ beperkt tot 30, daar deze cliënten baat zouden  hebben bij een langer durende psychotherapie. Wij verzoeken u daarom nader uit te leggen waarom de verruiming tot maximaal 50 zittingen psychotherapie uitsluitend geldt voor patiënten met persoonlijkheidsstoornissen.

 

3.      Door de opeenvolgende veranderingen in de maatregel zal, zowel m.b.t. de behandeling als m.b.t. de afspraken met patiënten, een zeer onoverzichtelijke en onwenselijke situatie ontstaan doordat in de loop van de komende tijd verschillende  veranderingen over elkaar heen moeten plaatsvinden. Zo krijgen patiënten met een reeds gestelde indicatie c.q. gestarte behandeling op basis van recht op 90 sessies,  per 1 januari te horen dat deze ingekort moet worden naar 30 sessies (tenzij zij de meerdere sessies volledig zelf betalen), waardoor wij in feite gemaakte behandelovereenkomsten zullen moeten schenden. In de loop van het jaar, en nog onbekend per wanneer, zal opnieuw met hen besproken moeten worden dat het geen 30 maar 25 of 50 sessies worden. Weer een jaar later krijgen we de overheveling  naar de basisverzekering, met nieuwe onzekerheden over duur en voortgang van lopende behandelingen, etc. Naast vele andere onzekerheden voor patiënten zal dit onherroepelijk schade aanrichten aan de therapeutische relatie en het vertrouwen van patiënten in een psychotherapeutische behandeling. Voor ons als professionals betekent dit in elk geval dat wij hierdoor ons vak niet naar behoren kunnen uitoefenen.

 

4.      Ook ten aanzien van de ontwikkeling van de Diagnose Behandel Combinaties (DBC´s) is de AMvB uiterst ongunstig. Er zullen onbetrouwbare gegevens ontstaan omdat behandelingen op oneigenlijke gronden afgebroken dienen te worden. Immers, bij reeds lopende behandelingen zijn de indicaties gesteld op basis van de op dat moment geldende AWBZ-regelgeving. Wanneer deze behandelingen voortijdig afgebroken worden omwille van de nieuwe regelgeving, dreigt (naast de hiermee verbonden behandeltechnische en ethische consequenties) vertekening van de registratiegegevens. Men zou dan die DBC's moeten gaan sluiten, niet omdat de behandeling is afgerond maar omdat patiënten om financiële redenen de behandeling gaan afbreken. Een juiste registratie van DBC´s is dan onmogelijk. Het DBC-traject wordt daarmee gefrustreerd, daar waar dit traject  juist in gang gezet is om te komen tot de mede door de overheid gevraagde transparantie. Wij verzoeken u dit beleid – in relatie tot de wijzigingen in de AWBZ t.a.v. psychotherapie - toe te lichten.

 

5.      De effectiviteit van psychotherapie is uitvoerig onderzocht en een zo drastische a-priori beperking van het aantal zittingen is geheel in tegenspraak met de ter beschikking zijnde  wetenschappelijke gegevens. Voor ons is, op basis van wetenschappelijke gegevens en op zorginhoudelijke gronden niet te begrijpen waarom een patiënt met een persoonlijkheidsstoornis (die volgens de classificatieregels pas gesteld kan worden vanaf het 18e levensjaar) straks wel recht heeft op maximaal 50 vergoede zittingen, terwijl een patiënt met een ernstige stemmingsstoornis (bijvoorbeeld een recidiverende depressie) recht heeft op maximaal 25 vergoede zittingen. Wij verzoeken u daarom argumenten te geven waarom deze keuze is gemaakt.

 

6.      De voorgestelde differentiatie alleen is gebaseerd op diagnostiek bij volwassenen en doet geen recht aan kinderen die psychotherapeutische behandeling behoeven. Juist bij de behandeling van jeugdigen is duidelijk aangetoond dat vroeg en vaak ook langer durend ingrijpen effect heeft en erger voorkomt. Veel effectonderzoeken m.b.t. de psychotherapeutische behandeling van kinderen wijzen op een noodzaak voor het ontwikkelen van behandeltrajecten, d.w.z. behandelingen die zich over langere tijd uitstrekken. Met andere woorden: de behandeling stopt niet na 25 zittingen, maar men plant vervolgzittingen op tijdstippen dat men verwacht dat het kind het moeilijk zal krijgen, of men blijft beschikbaar voor vervolgbijeenkomsten zodra zich terugval dreigt voor te doen. Wij verzoeken u te verantwoorden waarom kinderen straks per definitie worden uitgesloten van psychotherapeutische behandelingen die langer duren dan 25 zittingen.

 

7.      Ook valt niet te begrijpen waarom in de vergoedingensystematiek een onderscheid wordt gemaakt tussen psychoanalytische behandelingen en andere langer durende psychotherapeutische behandelmethoden. Wij verzoeken u daarom argumenten te geven waarom deze keuze is gemaakt.

 

Om bovengenoemde redenen vragen veel van onze leden zich af of het meewerken aan de 'versoepeling´ wel in het belang van onze patiënten is. Op dit moment vindt hierover nog beraad plaats binnen onze verenigingen.

Ten aanzien van uw vragen luidt het gezamenlijk standpunt dan ook dat wij het, in de nu geldende situatie, om bovenstaande redenen t.o.v. de patiënten niet kunnen verantwoorden om mee te werken aan een invoering van de maatregelen (inclusief de ´versoepeling´), omdat het zeker is dat deze voor een grote groep patiënten zal leiden tot het onthouden van het  recht op adequate en toegankelijke psychotherapeutische behandeling. Wanneer een langer durende behandeling noodzakelijk is zullen alleen vermogende patiënten in staat zijn de vervolgzittingen te betalen.

 

Wij vernemen graag uw reactie.

Hoogachtend,

 

de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP),

Dr. A.T. Veeninga, voorzitter

 

de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten (NVVP),


Drs. D.C. Bouman, voorzitter

 

de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP),

 

 

 

Prof. dr. R. Kahn, voorzitter

 

het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP),

Drs. J.A.C. Delimon, fungerend voorzitter sector Gezondheidszorg

 

 

c.c.      directie GVM,  t.a.v. drs. J. Penninga

Fractievoorzitters van de Tweede Kamer