In de geest van Hoogervorst
HUGO
VAN ENGELSDORP
Succes
kwam in kleine stapjes bij de psychotherapie van Anne (30). Eerst afspraken
maken over een dagelijks leven dat gericht was op een langzame
zelfvernietiging. Jezelf verzorgen, niet alleen leven op cola, chips en joints.
De gordijnen open doen, uit bed komen en je huis een beetje schoonmaken. Toen
daar enige regelmaat in zat, was er ruimte om te luisteren naar de uitleg van
de therapeut. Over hoe mensen in elkaar zitten, hoe ze vluchten voor oude
problemen door zich in nieuwe problemen te storten. Anne leerde grenzen stellen
aan mannen die ze in het uitgaansleven tegenkwam, aan haar vreetbuien en andere
dingen waarmee ze zichzelf verdoofde. Zo leerde ze langzaam haar therapeut
vertrouwen. Dat hij niet de zoveelste was die haar zou misbruiken of in de
steek zou laten. Ze leerde dat iemand het de moeite waard vond om naar haar te
luisteren.
Pas
toen was de tijd rijp om naar de oorzaak van de problemen te kijken. De basis
was gelegd om te kunnen spreken over de zelfmoord van haar vader en over haar
moeder die het moederschap niet aankon. Over het seksueel misbruik dat een jaar
lang duurde en de automutilatie die daarop volgde. Krassen in je eigen lijf om
controle over je gevoelens te ervaren. Toen Anne zover was, had ze er al meer
dan een jaar therapie opzitten. Als ze er eerder over was begonnen was ze niet
in staat geweest om er verdriet bij te voelen en daar woorden aan te geven. Dan
had ze weer manieren gevonden om het gevoel te dempen, met seks, drugs of eten.
Ze moest sterk genoeg worden voor het alternatief: omgaan met pijn en overeind
blijven staan. Daarmee brak een nieuwe fase in de therapie aan. Anne nam het
besluit dat ze gelukkig wilde zijn. Ze ging minder vaak denken dat alles aan
haar slecht was. Tien jaar na het misbruik deed ze aangifte en hoorde ze een
rechter een veroordeling uitspreken. Het voelde als de erkenning van haar pijn.
De
psychotherapie van Anne begon op haar zestiende en duurde, met onderbrekingen,
tot haar dertigste. Haar risicozoekende gedrag, met de eetproblemen, de
verslavingen en de zelfbeschadiging, pasten in het plaatje van de borderline
persoonlijkheidsstoornis. Nu, na jarenlange behandeling, heeft ze een normaal
leven zonder verslaving of medicijnen. Ze heeft een hogere beroepsopleiding
afgemaakt, wat een lange weg was nadat ze op haar veertiende van school was
gegaan. En ze werkt, al is het voorlopig gesubsidieerd. Zonder de behandeling
was ze eeuwig rondjes blijven draaien, zegt Anne.
Langdurige
psychotherapie wordt vanaf dit jaar niet meer vergoed. Na dertig zittingen moet
iemand van zijn psychische problemen af zijn, of zelf gaan betalen. De
maatregel betreft de ambulante psychotherapie, waarbij de patiënt niet is
opgenomen of in dagbehandeling zit bij een instelling voor de geestelijke
gezondheidszorg. Tot vorig jaar werden negentig sessies bij vrijgevestigde
behandelaars vergoed en zat er geen limiet op het aantal behandelingen via
instellingen. De beroepsgroep weigert mee te werken aan deze forse ingreep. “We
zullen behandelingen halverwege moeten staken, omdat de patiënt het niet zelf
kan betalen. Dat is onacceptabel,” stelt psychiater Suzy Bollen, secretaris van
de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). “Je stopt ook niet
halverwege een hartoperatie omdat het geld op is.” De NVvP schreef tezamen met
organisaties van psychologen en (vrijgevestigde) psychotherapeuten een
brandbrief aan minister Hoogervorst van Volksgezondheid. Psychotherapeuten
richtten het internetplatform STAP (Stop Afbraak van Psychotherapie) op, waar
patiënten hun verhaal doen, en de psychiaters spannen zelfs een kort geding aan
tegen de maatregel van de minister.
Minister
Hoogervorst wilde de behandeling voor mensen met ernstige psychische klachten
best wat langer vergoeden, maar binnen het bestaande budget voor de AWBZ. Hij
besloot om voor de zogenaamde persoonlijkheidsstoornissen vijftig zittingen te
vergoeden en voor de overige stoornissen vijfentwintig, waarbij de eigen
bijdrage met vier euro omhoog gaat. De Tweede Kamer slikte deze versoepeling,
die later dit jaar in zal gaan, in de gedachte dat de aangebrachte
differentiatie recht doet aan het gewenste onderscheid tussen lichte en
zwaardere psychische klachten. Hoogervorst had deze differentiatie echter
vormgegeven zonder overleg met de beroepsgroep, die dan ook verontwaardigd
reageerde. “De minister gaat op de stoel van de behandelaar zitten,” zegt psychiater Bollen. In hun brandbrief
vegen de instanties de vloer aan met het compromis dat Hoogervorst presenteert.
Een
persoonlijkheidsstoornis is niet het equivalent van een ‘zwaardere psychische
stoornis’, wat nogal eens wordt gedacht. De psychiatrie hanteert dit begrip
voor een groep stoornissen, waarbij een geleidelijke ontwikkeling in de
persoonlijkheid heeft geleid tot problematisch en afwijkend gedrag en verstoorde
relaties. De problemen voor het individu en zijn omgeving zijn niet per
definitie erger dan bij andere stoornissen, maar de behandeling vergt wel meer
tijd. Het gaat immers om langzaam ingesleten patronen in het denken en handelen
van de patiënt, die niet eenvoudig zijn weg te praten. De vijftig sessies die
Hoogervorst wil vergoeden, vindt Suzy Bollen van de NVvP ‘een wassen neus’.
“Wetenschappelijk onderzoek naar de veel voorkomende borderline
persoonlijkheidsstoornis laat zien dat de helft van de patiënten herstelt na
negentig sessies. Vijftig zittingen betekent dus bij meer dan de helft van deze
patiënten een ongewenste onderbreking van de behandeling. Het risico van
excessen, zoals suďcide, na onderbreking van de behandeling, is bij deze groep
hoog.”
Dan
de groep stoornissen waarvoor Hoogervorst een half jaar therapie (25 zittingen)
voldoende vindt. Hieronder vallen vooral de stemmings- en angststoornissen. Qua ernst zijn er
enorme verschillen binnen deze groep. Sommige mensen met een terugkerende depressie
gaan de kliniek in en uit, terwijl iemand met een spinnenfobie slechts af en
toe hinder ondervindt. Hoogervorst baseerde het aantal bekostigde zittingen bij
deze groep op een rapport van de Gezondheidsraad uit 2001, dat concludeert dat
het effect van kortdurende therapie bij angst- en stemmingsstoornissen
overtuigend is aangetoond in wetenschappelijk onderzoek. Driekwart van de
patiënten is voldoende hersteld na vijfentwintig zittingen. Hoogleraar
psychologie Roel Verheul becijferde op basis van dit herstelpercentage, dat dan
nog altijd 15.000 patiënten per jaar in zorg komen die meer dan vijfentwintig
zittingen nodig hebben. Deze mensen lijden aan terugkerende depressies, of hun
psychische stoornis wordt gecompliceerd door moeilijke levensomstandigheden of
gezinsproblematiek.
Dat
laatste is bij Richard (34) het geval. Ogenschijnlijk was er weinig met hem aan
de hand, maar bij vrouwen vluchtte hij altijd weg. Hij raakte geblokkeerd en
angstig als relaties te intiem werden en verbrak ze dan maar. Toen hij eens bij
een vriendin wilde blijven, kwamen de echte paniekaanvallen. Dan begon hij te
trillen en verloor de controle over zijn spieren. Richard werd zó gespannen dat
hij tijdens de afwas glazen doormidden kneep. Hij ging in therapie, eens per
drie weken, maar zat in een neerwaartse spiraal. Verloor zijn vriendin en zijn
baan als medisch analist. Twee maanden lang at hij nauwelijks en zijn vrienden
zag hij niet meer. Opnieuw meldde hij zich aan voor psychotherapie en in dat
jaar krabbelde hij overeind, ging sporten en weer halve dagen werken. Perioden
van depressie bleven hem overvallen, maar hij was aangemeld voor een
groepstherapie die de boel open zou gooien. In die groep kon hij zich niet meer
verschuilen. Hij begon veel na te denken over vroeger. Over dat zwijgzame gezin
waarin hij opgroeide, waar emoties geen plaats hadden. Voor sommigen misschien
geen onoverkomelijk probleem, maar Richard voelde zich ‘een sociaal
gehandicapte’. In de groep leerde hij voor zichzelf opkomen en zijn grenzen aan
te geven. Hij verzamelde zijn moed en stelde zich opnieuw voor aan zijn ouders,
die hij zo slecht kende: ‘Hallo, ik ben Richard. Wie zijn jullie?’ Het was voor
hem de eerste van vele confrontaties met zichzelf. Maar hij heeft na ruim
honderd sessies wel zijn levensvreugde terug.
In
de praktijk duurt een psychotherapie bij angst- en stemmingsstoornissen
gemiddeld 38 zittingen over twee jaar, bij persoonlijkheidsstoornissen zestig
zittingen. Toch komen langdurige trajecten als die van Anne en Richard geregeld
voor. Eén van de moeilijkheden in de weerbarstige praktijk is het stellen van
de juiste diagnose. De psychiatrie werkt met vast omschreven ziektebeelden, die
echter veel overlap vertonen. Vaak wordt pas in de loop van de behandeling
duidelijk wat er precies aan de hand is. Daarbij komt dat een therapeut
afhankelijk is van wat de patiënt vertelt, die echter niet meteen zijn hele
ziel blootgeeft. Tussen patiënt en therapeut moet een vertrouwensband ontstaan
en dat heeft tijd nodig. De ideale situatie van een psychotherapie die start
met de juiste diagnose en voldoende vertrouwen en die zonder verdere
complicaties een blijvend veranderingsproces teweeg brengt, is meer theorie dan
praktijk.
Desalniettemin
beseft de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) dat onbeperkte vergoeding niet de
noodzakelijke prikkel geeft om te professionaliseren. De GGZ is hard bezig om
tot een ‘evidence-based’ praktijk te komen, waarbij de werkzaamheid van
therapieën op wetenschappelijk bewijs berust. Voor de langerdurende
psychotherapie is dat bewijs nog niet voldoende voorhanden, oordeelde de
Gezondheidsraad in 2001. De toenmalige minister van Volksgezondheid Els Borst
vond het daarom voorbarig om de vergoeding te beknotten. Hoogervorst oordeelt
anders, in een tijd van economische tegenwind. Hij denkt 79 miljoen te besparen
met zijn plannen. De beroepsgroep is ervan overtuigd dat de kosten via een
omweg juist hoger zullen uitvallen. Bollen van de NVvP: “Je zult een
verschuiving zien naar duurdere behandelingen in de kliniek. Daarnaast zullen
de kosten voor maatschappelijke opvang en arbeidsongeschiktheid toenemen.”
De
beknotting van het budgetten voor psychotherapie stuit bij professor en
psychiater Andries van Dantzig op meer principiële bezwaren. De grijze
eminentie van de psychiatrie heeft zich aangesloten bij het actieplatform van
psychotherapeuten omdat ‘de minister een tweedeling in de geestelijke zorg
creëert die een aantasting van onze beschaving betekent’. “Dat mensen een gelijk recht hebben op zorg
voor het innerlijk lijden, was een fantastische vooruitgang in de
menselijkheid. Die wordt door dit soort maatregelen ondergraven.” In zijn
werkkamer in Amsterdam-Zuid schetst hij in vogelvlucht de ontwikkeling van de
zorg in de maatschappij door de eeuwen heen. “Zorg voor lichamelijke kwalen is
vanzelfsprekend. Terwijl ook de somatische zorg pas in de vorige eeuw echt
effectief is geworden. Als Hippocrates ‘evidence-based’ had moeten werken,
hadden we nu geen geneeskunde gehad. Maar ook nu kan de somatische zorg niet
iedereen genezen. Als je op jonge leeftijd reuma krijgt heb je je hele leven
recht op dure zorg, terwijl de ziekte gewoon voortgaat.” Van Dantzig ziet dat de erkenning voor
geestelijke zorg daarbij ver achter blijft: “Toen men ook geestelijke zorg ging
vergoeden, bleek de vraag zo groot te zijn, dat men al snel een maximum aan het
budget stelde. Daardoor voelde de GGZ zich genoodzaakt om zich te richten op
mensen die maatschappelijke overlast veroorzaken. Psychotherapie voor gewone
mensen werd een verwaarloosd terrein. Deze mensen lijken het wel te redden,
maar zij lijden door wat ze van binnen meemaken. Vaak is daar wat aan te doen,
maar dan moeten we eerst het probleem erkennen.” Die erkenning moet veroverd
worden op de ‘antropologie van de vrije wil’, meent Van Dantzig: “Die stelt dat
psychische problemen je eigen verantwoordelijkheid zijn. Je moet flink zijn.”
Christine
(34) vond ook dat ze flink moest zijn. Vanaf haar negende hielp ze mee in de
winkel van haar ouders, omdat haar moeder vaak ziek was. Ze leerde goed, maar
in haar eindexamenjaar raakte ze soms zomaar weg en zakte dan in elkaar. En ze
sliep niet. Na het eindexamen ging ze naar een herstellingsoord. Haar ouders
wilde ze toen niet zien. Pas een paar jaar later kon ze gaan studeren. In die
tijd had ze veel steun aan een psychotherapie. Wel merkte ze dat ze moeilijk
over zichzelf kon praten. Haar geheugen zat vol gaten. Op haar vierentwintigste
ontmoette ze haar huidige man. In die intieme relatie kreeg ze voor het eerst
herbelevingen van seksueel misbruik in haar vroege jeugd. Dan lag ze te
schokken op de grond en praatte met een kinderstemmetje. Er volgde een opname
in een therapeutische gemeenschap voor mensen met angstklachten. Daar waagden
ze zich niet aan het onderzoeken van het vermeende misbruik. Het ging ook te slecht
met Christine. Ze sneed zichzelf om van nare gevoelens af te raken, nam een
overdosis medicijnen en kwam op een gesloten afdeling. Na twee jaar opname was
ze weer thuis, depressief. Met hulp van een psychiater werd ze weer actiever en
even werkte ze, als hypotheekadviseur. ‘Die problemen komen later wel’, dacht
ze, ‘voorlopig ram ik ze eronder’. In 2001 kwam de baby. Tijdens de bevalling
raakte ze weer weg in een herbeleving. De baby kwam gezond ter wereld met een
ruggenprik, maar de volgende dag zat de gynaecoloog aan haar bed. Ze had dingen
gezegd waar hij van geschrokken was en moest daar toch met iemand over gaan
praten. Het kwam er pas veel later van. Eerst kreeg ze nog een miskraam,
verhuisde de psychiater die ze zo vertrouwde en volgde weer een crisisopname.
Ze was uitgeput en gebruikte drie soorten medicatie, toen ze op het idee kwam
om ergens anders een ‘second opinion’ te vragen. Christine wilde niet met
lapmiddelen tachtig worden, ze wilde het misbruik gaan uitzoeken. De instelling
waar ze terecht kwam stelde de diagnose ‘dissociatieve identiteitstoornis’, een
stoornis waarbij traumatische belevenissen uit de jeugd niet in de
persoonlijkheid worden geďntegreerd, maar ‘gedissocieerde brokjes’ vormen, die
het functioneren ernstig belemmeren. Christine heeft nu de therapie die ze wil,
maar die duurt een veelvoud van vijfentwintig sessies.
“Een
kind dat jaren is misbruikt wordt als volwassene doodongelukkig en kan geen
relaties aangaan,” resumeert Van Dantzig. “Het is een schande om zulke mensen
na vijfentwintig sessies naar huis te sturen.” Het is hoog tijd om de
psychopathologie van gewone mensen op de agenda te zetten, vindt hij. “Het
begin is er, met de oprichting van een vereniging voor cliënten van
psychotherapie. Geestelijk lijden is een met schaamte beladen onderwerp. Maar
elke emancipatie moet tegen schaamte inwerken. De eerste vrouwen die zich
lieten vastketenen en protesteerden tegen de onderdrukking van de vrouw, werden
ook beschouwd als halvegaren.”
(De
namen van patiënten in dit verhaal zijn gefingeerd in verband met hun privacy)
Dit
artikel verscheen in de Groene Amsterdammer (10 april 2004)